“Wat nu als ik nooit een man vind?” Ilse schuift met haar voet een denkbeeldige lijn op de grond. Een donkere lijn met aan het eind een hoopje aarde verschijnt. We zitten dicht tegen mekaar aan, om elkaars lichaamswarmte, maar ook om de vriendschap die we samen koesteren te voelen. Ik maak me even van onze aanraking los en kijk haar onderzoekend aan. Ilse is mooi, ze is grappig, ze is intelligent, talentvol, creatief. Ze is mijn vriendin en ik hou zielsveel van haar. Ze is zoals een paar andere vriendinnen die ik heb die ook rond de dertig zijn, geen partner hebben en wel verlangen naar het krijgen van een kind. Ik begrijp niet waarom ze single is. Ze wil zo graag een vriend, maar de juiste vent lijkt maar niet te verschijnen.

“De tijd tikt,” vervolgt ze. “Nog even en mijn kansen zijn over… Misschien moet ik maar opzoek gaan naar een zaaddonor?”

Ik voel haar angst. Ik kan nu wel weer zeggen hoe mooi ik haar vind en dat ik niet begrijp hoe ZIJ geen vriend heeft, maar het heeft geen zin. Ze is bang, dat is alles.

Ik pak haar hand vast en geef een kneepje. “Kijk me eens aan,” ze richt haar mooie, jonge gezicht naar me op. Wat haren veegt ze uit haar gezicht, waarvan een paar blijven plakken in haar mond. We lachen terwijl ze ze eruit spuwt. Als ze klaar is, zuchten we eens diep. “Ik snap dat je bang bent, Ilse…” Ze knikt. “Jij, en zoveel andere vrouwen, zijn op dit moment de eerste vrouwen die niet gelijk hoefden te trouwen en kinderen te krijgen toen we begin twintig waren. We zijn de eerste generatie die onze eigen vrijheid op de eerste plaats mogen zetten. We zijn de eerste vrouwen die ons mogen afvragen wat WIJ willen, in plaats van wat anderen willen. We zijn de eersten die iets anders doen dan honderden(!) generaties van vrouwen voor ons. We zijn de eersten die financieel onafhankelijk moeten proberen te zijn.

Natuurlijk ben je bang. Natuurlijk zijn we allemáál bang. Zelfs ík ben bang en ik héb gewoon een vaste vriend. Zal ik ooit een kind krijgen? Is het niet te laat als ik het pas eind dertig doe?

 

Niemand vóór ons heeft dit pad bewandeld, we hebben niemand van wie we het kunnen afkijken. We zijn de eersten, Ilse. We zijn de eersten. Natuurlijk zijn we bang.”
Ze zucht. “Dankje, Anne. Ik vind dit zo fijn om te horen.”
“Ja, ik ook!” Ik lach, want ook ik voelde troost in mijn eigen woorden.
“Omdat niemand het ooit gedaan heeft en omdat de toekomst nog zo onduidelijk is, nog zo’n zwart, vaag, onduidelijk gat, dat ons doodsbang maakt, wil dat nog NIET zeggen dat het onmogelijk is. En dat wij onmogelijk zijn. De angst is geen voorbode voor wat gaat komen. Het is gewoon angst. We weten het niet. Maar we kunnen alleen maar hopen op het beste…”